Het Blinkende Goud (1)

Eerste deel, geschreven door Lotte Samarah Hermens

Een van hen was Jasper. Na een vermoeiende ochtend in het dorpshuis liep hij door het bos om zijn hoofd leeg te maken. De natuur deed hem goed en hij voelde zich direct beter. In de middagzon had het bos bijna iets magisch. De schaduwen van de bladeren maakten sprookjesachtige figuren op het zachte bospad. De vogels kondigden de nieuwe lente aan. Hier en daar liepen de bomen en struiken al uit met kleine heldergroene blaadjes.

Iets glinsterde tussen de bomen. Het trok Jaspers aandacht en hij verliet het pad. Zoekend naar het glinsterende ding, botste hij bijna tegen iemand op. Waar kwam die ineens vandaan?

“Oh sorry,” verontschuldigde hij zich. “Ik had je niet gezien.” Toen zag hij een bekend gezicht. Het was Rosa, de dochter van de dorpsoudste.

“Wat doe jij hier?” vroeg Rosa.

“Ik zag iets glinsteren. Wat doe jij hier?”

“Ik hoorde een raar geluid en dat kwam hier vandaan.”

De twee keken elkaar verbaasd aan.

Plotseling klonk een luid gekraak door het bos, gevolgd door een harde schreeuw. Niet ver bij hen vandaan viel een man met tak en al uit de boom. Jasper en Rosa waren zo geschrokken dat ze zich allebei niet verroerden.

“Alles goed?” riep Rosa bezorgd toen ze man op stond.

De man stak zijn duim op. “Ik ben nog heel!”

Het was Frank, de knecht van de koeienboer aan de andere kant van het dorp. Hij klopte het zand van zijn kleding. Met een verbaasde blik keek hij naar de hoge boom waar hij net nog in had gezeten.

“Dat ging maar net goed,” zei hij opgelaten. “Maar die pasgeboren vogeltjes zijn het waard, die brengen een mooie duit op. En wat zijn jullie aan het doen?”

“Ik zag iets glinsteren,” zei Jasper.

“En ik hoorde een raar geluid,” zei Rosa.

“Wow, kijk hier eens!” riep Frank tegelijkertijd uit. Hij hurkte op de grond en raapte een glinsterend, sissend doosje op. Het houten doosje leek rechtstreeks uit een van de oude spookverhalen te komen die wel eens in het dorpshuis aan de kinderen verteld werden. Door een kier in het oude eikenhout scheen een helder, fonkelend licht dat een hypnotiserende werking had.

“Wat is dat nou?” vroeg Rosa.

“Kan het open?” wilde Jasper weten.  

Frank opende het doosje. Het geluid werd luider. Het licht werd feller. De drie zetten allemaal een stapje achteruit. Zonder adem te halen, keek het drietal naar iets wat ze nog nooit gezien hadden.

Stuk voor stuk voelden ze de kracht die uitging van het mysterieuze voorwerp dat uit een andere wereld leek te zijn gekomen.

“Er zit een stuk papier in,” fluisterde Frank gespannen.

“Dat is geen papier,” riep Jasper uit. “Dat is perkament! Het moet al honderden jaren oud zijn!”

“Wat staat er op?” vroeg Rosa ongeduldig.

Frank haalde het perkament uit het doosje en gaf het doosje aan Jasper. Hij rolde het perkament open en bekeek het eens goed. Zoiets had hij nog nooit gezien. De bloedrode letters op het perkament waren sierlijk, waarbij elke eerste letter van de regel extra was versierd met heel fijn uitgevoerde tierelantijntjes.

“Het is een gedicht of zo.”

“Lees voor!” riepen Jasper en Rosa in koor.

“Hee, wat doen jullie daar?”

De jonge stem kwam van het pad. Frank haalde zijn schouders op.

“Niks, Bram.”

“Echt wel,” zei Bram. “Ik wil weten wat jullie aan het doen zijn!”

De buurjongen van Frank kwam bij het drietal staan, griste het perkament uit zijn handen en begon te hardop te lezen:

Toen het schip verging in de volle maan

Had één matroos het gevecht met de golven doorstaan.

Hij kwam aan land met goud in zijn zakken

Hij moest zorgen dat niemand het af zou pakken.

Hij begroef zijn schat diep in het woud

Daar ligt het nog steeds, dat blinkende goud.

“Het is een gedicht over een eeuwenoude schat.”

Het viertal keek elkaar aan in een stilte die eindeloos leek te duren. Toen barstten ze los.

“Ik zag de glinstering als eerste, dus de kaart is van mij.”

“Nee, hij is van mij! Ik hoorde het rare geluid!”

“Jasper, Rosa toch,” suste Frank. “De kaart is van mij. Ik heb het doosje gevonden en de kaart tevoorschijn gehaald. Dus het lijkt me duidelijk.”

“Onzin! Jij was op zoek naar vogeltjes! Ga daar maar lekker mee door,” protesteerde Rosa.

“Luister, ik ben de beste spoorzoeker, dus ik ga die schat vinden.”

“Ho, wacht eens even,” zei Bram. “Ik ken het bos als de beste. Ik ga die schat vinden.”

“Ik ben de dapperste,” bracht Rosa in. “Jullie zouden het de eerste nacht al opgeven. Het bos zit vol geheimen en kan gevaarlijk zijn!”

“Ken jij al die geheimen dan?”

Het was een vijfde stem. Een onbekende. Verbaasd keek het viertal op. Ze waren zo in hun ruzie opgegaan dat ze de vreemdeling niet dichterbij hadden zien komen.

“Nee, maar toch. Als iemand diep het bos in zou durven, dan ben ik dat,” hield Rosa vol.

“Laten we samen gaan,” stelde de vreemdeling voor. Hij had een grijze mantel om. In de schaduw van zijn capuchon zag zijn gezicht er griezelig uit.

“We?” vroegen ze in koor.

“Zeker. Ik ken toevallig wel alle geheimen van het woud. Daarom ben ik ook hier. Het openen van dat doosje heeft gevaarlijke krachten losgemaakt. Jullie worden in de gaten gehouden. Ik ben hier om jullie te waarschuwen.”

De vreemdeling ging op een grote kei zitten en keek de vier een voor een aan. Hij was bijna net zo vreemd als het doosje met daarin het gedicht. Ook hij leek uit een andere wereld te zijn gekomen.

“Jullie houden het nog geen dag vol in je eentje, maar samen…” Hij liet even een stilte vallen. “Samen zouden jullie een heel eind komen. Maar zonder mij…”

De vreemdeling haalde zijn schouders op en zei: “Zonder mij zijn jullie verloren.”


Het Blinkende Goud (2)